Jan
November 25th, 2004, 01:25 PM
Geen idee wat de nieuwswaarde van deze samenvatting is, maar toch lollig dat het er in staat.
Bron: Cobouw (http://www.cobouw.nl)
Wolkenkrabbers vormen een aantrekkelijk alternatief, maar verdienen nog wel wat extra aandacht.
In de binnenstad betekenen hoge gebouwen een verdichting van het stedelijk weefsel: meer bewoners en meer bezoeken geven een aangenamer leefmilieu. “Dit is niet alleen heerlijk voor de bevoorrechte binnenstedelingen, maar ook goed voor de hele stad”, aldus Mariet Schoenmakers, directeur stedenbouw van de gemeente Rotterdam, die daarmee aangeeft dat het niet gaat om het volbouwen van de stad maar om het functioneren ervan.
Het zogenaamde Hoogbouwteam dat als onderdeel van de commissie voor Welstand en Monumenten functioneert oordeelt dan ook niet vanuit “de heimelijke wens om steeds hoger te bouwen. Niet hoge gebouwen, maar hoge ambities vormen het leidend principe”. Althans in Rotterdam, een moderne stad met een imponerende skyline die ook hoogbouw durft te stimuleren en concepten ook in publiek-privaat verband ter discussie durft te brengen. Marktpartijen kunnen locaties uitkiezen, maar van de stad wordt verwacht dat ze de regie voert. Dat is sinds de wederopbouw met dubbele energie gebeurd, waardoor Rotterdam de hoogbouwstad bij uitstek is kunnen worden. Overigens ook lang voor de Tweede Wereldoorlog was er in Rotterdam een traditie in hoog wonen. Architecten als Willem van Tijen en J.H. van de Broek experimenteerden met hoogbouw – zoals de Parklaanflat en de woontoren aan het Ungerplein. Inzet daarbij was ook “dat ten gevolge van den hoogeren bouw economische voordelen te bereiken zijn, die ten bate van de woningbouw strekken”. Althans dat was de toenmalige opvatting van architect Jan Duiker in 1930 in zijn boekje ‘Hoogbouw’. Dertig jaar later ontstonden de Maastorenflat en de Leuvetoren en ruim een halve eeuw later verschenen de eerste drie woontorens – Clipper, Schoener en Galjoen – aan de Boompjes, gevolgd door enkele woontorens aan het Weena. Het leek erop alsof de maximale hoogte steeds verder kon worden opgerekt.
De maximale puntbelasting van de ondergrond is kennelijk nog steeds niet bereikt, want het wonen op grote hoogte kreeg een voorlopig hoogtepunt in de Schielandtoren en de Hoge Heren, die meer dan honderd meter hoog zijn. De Stichting Wolkenkrabbers Rotterdam die een fraai uitgegeven pleidooi voor het wonen en bouwen in de hoogte liet verschijnen moet dan ook tevreden kunnen zijn over de prestaties en toekomstperspectieven van Rotterdam waar het om hoogbouw gaat. Er staan nog verschillende hoogbouwprojecten in de planning, zoals de wooncomplexen Montevideo en De Compagnie op de Kop van Zuid, een project op de plaats van de vroegere bioscoop Corso aan de Kruiskade, de Scheepmakerstoren in het centrum van de stad of de herbestemming en inrichting van de kantoortoren aan de Binnenrotte.
Er is – volgens architect Jan Hoogstad – van de ontwikkeling van “twee skylines in Rotterdam die bijna ‘fugatisch’ tegen elkaar ingaan. In de omgeving van het Centraal Station krijg je een hoogbouwzone die samenhangt met het transitokarakter, het komen en gaan, met de nadruk op het kortstondige verblijf dat ervoor zorgt dat de stad een steeds diverser karakter krijgt. Aan de rivier ontwikkelt zich een zone met een heel ander karakter door alle woontoren die daar verschijnen”.
Volgens Hoogstad komt hoogbouw het meest tot zijn recht in groepen, in clusters binnen de stad, waardoor het solistische karakter ervan minder tot uitdrukking komt. “In een stad als Rotterdam kunnen die verschillende clusters van hoogbouw een eigen betekenis krijgen: een handelscluster, een onderwijscluster, een medisch cluster. Het worden dan vormverzamelingen.
Drs. Robbert Coops; Sociaal-geograaf en directeur van HVR in Den Haag
Stichting Wolkenkrabbers Rotterdam (2004): Hoog boven Rotterdam/High above Rotterdam, Magazine de Slanke Stad 5, ISBN 90.804270-5-5, 123 blz., prijs: 9 euro
Bron: Cobouw (http://www.cobouw.nl)
Wolkenkrabbers vormen een aantrekkelijk alternatief, maar verdienen nog wel wat extra aandacht.
In de binnenstad betekenen hoge gebouwen een verdichting van het stedelijk weefsel: meer bewoners en meer bezoeken geven een aangenamer leefmilieu. “Dit is niet alleen heerlijk voor de bevoorrechte binnenstedelingen, maar ook goed voor de hele stad”, aldus Mariet Schoenmakers, directeur stedenbouw van de gemeente Rotterdam, die daarmee aangeeft dat het niet gaat om het volbouwen van de stad maar om het functioneren ervan.
Het zogenaamde Hoogbouwteam dat als onderdeel van de commissie voor Welstand en Monumenten functioneert oordeelt dan ook niet vanuit “de heimelijke wens om steeds hoger te bouwen. Niet hoge gebouwen, maar hoge ambities vormen het leidend principe”. Althans in Rotterdam, een moderne stad met een imponerende skyline die ook hoogbouw durft te stimuleren en concepten ook in publiek-privaat verband ter discussie durft te brengen. Marktpartijen kunnen locaties uitkiezen, maar van de stad wordt verwacht dat ze de regie voert. Dat is sinds de wederopbouw met dubbele energie gebeurd, waardoor Rotterdam de hoogbouwstad bij uitstek is kunnen worden. Overigens ook lang voor de Tweede Wereldoorlog was er in Rotterdam een traditie in hoog wonen. Architecten als Willem van Tijen en J.H. van de Broek experimenteerden met hoogbouw – zoals de Parklaanflat en de woontoren aan het Ungerplein. Inzet daarbij was ook “dat ten gevolge van den hoogeren bouw economische voordelen te bereiken zijn, die ten bate van de woningbouw strekken”. Althans dat was de toenmalige opvatting van architect Jan Duiker in 1930 in zijn boekje ‘Hoogbouw’. Dertig jaar later ontstonden de Maastorenflat en de Leuvetoren en ruim een halve eeuw later verschenen de eerste drie woontorens – Clipper, Schoener en Galjoen – aan de Boompjes, gevolgd door enkele woontorens aan het Weena. Het leek erop alsof de maximale hoogte steeds verder kon worden opgerekt.
De maximale puntbelasting van de ondergrond is kennelijk nog steeds niet bereikt, want het wonen op grote hoogte kreeg een voorlopig hoogtepunt in de Schielandtoren en de Hoge Heren, die meer dan honderd meter hoog zijn. De Stichting Wolkenkrabbers Rotterdam die een fraai uitgegeven pleidooi voor het wonen en bouwen in de hoogte liet verschijnen moet dan ook tevreden kunnen zijn over de prestaties en toekomstperspectieven van Rotterdam waar het om hoogbouw gaat. Er staan nog verschillende hoogbouwprojecten in de planning, zoals de wooncomplexen Montevideo en De Compagnie op de Kop van Zuid, een project op de plaats van de vroegere bioscoop Corso aan de Kruiskade, de Scheepmakerstoren in het centrum van de stad of de herbestemming en inrichting van de kantoortoren aan de Binnenrotte.
Er is – volgens architect Jan Hoogstad – van de ontwikkeling van “twee skylines in Rotterdam die bijna ‘fugatisch’ tegen elkaar ingaan. In de omgeving van het Centraal Station krijg je een hoogbouwzone die samenhangt met het transitokarakter, het komen en gaan, met de nadruk op het kortstondige verblijf dat ervoor zorgt dat de stad een steeds diverser karakter krijgt. Aan de rivier ontwikkelt zich een zone met een heel ander karakter door alle woontoren die daar verschijnen”.
Volgens Hoogstad komt hoogbouw het meest tot zijn recht in groepen, in clusters binnen de stad, waardoor het solistische karakter ervan minder tot uitdrukking komt. “In een stad als Rotterdam kunnen die verschillende clusters van hoogbouw een eigen betekenis krijgen: een handelscluster, een onderwijscluster, een medisch cluster. Het worden dan vormverzamelingen.
Drs. Robbert Coops; Sociaal-geograaf en directeur van HVR in Den Haag
Stichting Wolkenkrabbers Rotterdam (2004): Hoog boven Rotterdam/High above Rotterdam, Magazine de Slanke Stad 5, ISBN 90.804270-5-5, 123 blz., prijs: 9 euro